Aanvraag verlening ontgrondingsvergunning

Ontgrondingen

Wie in Zeeland grond wil afgraven, heeft een vergunning nodig van provincie Zeeland. Dat staat in de Ontgrondingenwet. Bij de invoering van die wet is bepaald dat onder ontgronding valt: iedere activiteit die een (al dan niet tijdelijke) verlaging van het maaiveld tot gevolg heeft.

Ook voor baggeren en andere ontgravingen onder water is een vergunning nodig van provincie Zeeland. Uitzondering daarop is wanneer het grondgebied in beheer is van het Rijk, zoals de Oosterschelde, Westerschelde of het Veerse Meer. In die gevallen is een vergunning nodig van het Rijk.

Per 1 januari 2014 zijn verschillende taken op milieugebied door provincie Zeeland overgedragen aan Regionale uitvoeringsdienst Zeeland (RUD Zeeland), gevestigd te Terneuzen. Hier valt ook het in behandeling nemen van de aanvraag en de afgifte van de vergunning voor ontgrondingen. Dit betekent dat de aanvraag voor deze vergunning bij RUD Zeeland moet worden ingediend. RUD Zeeland verricht deze werkzaamheden namens het bevoegde gezag (provincie Zeeland).

Het is niet zo dat voor elke spa die de grond in gaat een vergunning nodig is. Er zijn namelijk nogal wat vrijstellingen. Op deze webpagina leest u over het hoe en wanneer een ontgrondingenvergunning van provincie Zeeland nodig is. Aan de vergunning kunnen, ter bescherming van de bij de ontgronding aanwezige belangen, voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften zijn onder andere gebaseerd op de Ontgrondingenverordening Zeeland 2002 en de Ontgrondingenwet. Op deze webpagina komen ook de vrijstellingen aan bod en de wijze waarop de aanvraag bij RUD Zeeland moet worden ingediend.

 

Vrijstellingen

De Ontgrondingenverordening Zeeland 2002 begint met een opsomming van vrijstellingen van de vergunningplicht.

Het gaat hierbij om:

  • het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van waterstaatswerken, uit te voeren door of in opdracht van overheidslichamen;  

  • het aanleggen, onderhouden, verruimen of verdiepen van greppels, sloten, grachten of andere watergangen door of in opdracht van overheidslichamen;

  • het aanleggen, onderhouden, verruimen of verdiepen van greppels, sloten, grachten of andere watergangen anders dan bedoeld onder b, voor zover deze een bovenbreedte hebben of krijgen van niet meer dan 5 meter, een bodembreedte van niet meer dan 1,50 meter en een diepte van niet  meer dan 1 meter beneden het vastgestelde zomerpeil of, bij gebreke daarvan, 2,50 meter beneden de gemiddelde hoogteligging van het aangrenzende terrein;

  • het door of in opdracht van overheidslichamen aanleggen, wijzigen of opruimen van parkeerterreinen, vliegvelden, industrieterreinen, vuilstortplaatsen, bouwterreinen, sportterreinen, parken, plantsoenen en soortgelijke voorzieningen, waarvoor het ter plaatse geldende ruimtelijke besluit ingevolge van de Wet Ruimtelijke Ordening geen belemmering vormt;

  • de normale uitoefening van het land-, tuin- of bosbouwbedrijf;

  • het uitvoeren van ontgrondingen, waarbij niet meer dan 1000 m³ wordt ontgraven en waarvoor het ter plaatse geldende ruimtelijk besluit ingevolge de Wet Ruimtelijke Ordening geen belemmering vormt;

  • het maken, onderhouden, wijzigen of opruimen van bouwwerken krachtens een daartoe door het bevoegde bestuursorgaan verleende vergunning;

  • het doen van archeologische opgravingen door een rijksdienst, provinciale dienst, instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente die daarvoor een vergunning heeft ingevolge de Monumentenwet;

  • de uitvoering van werken in gebieden die vallen onder de werking van de Natuurbeschermingswet;

  • het uitvoeren van ontgrondingen op grond van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld natuurontwikkelingsproject.

Ook in de Ontgrondingenwet zijn enkele gevallen genoemd van het zonder vergunning mogen ontgronden:

  • werkzaamheden bij overstromingen of dreigend gevaar van dijkdoorbraken;

  • uitvoering van landinrichtingsplannen volgens de Landinrichtingswet: als daarvoor grond van elders moet komen, dan is voor die graafwerkzaamheden wel een vergunning nodig;

  • uitvoering van bodemsanering, gebaseerd op een provinciaal milieuprogramma: ook hiervoor geldt dat als grond van elders moet komen, daarvoor een vergunning is vereist.

Voor alle graafwerkwerkzaamheden die hier niet aan bod zijn geweest, moet zonder meer een ontgrondingenvergunning worden aangevraagd.

 

Aanvraag vergunningen

RUD Zeeland  wil het de aanvragers van vergunningen zo makkelijk mogelijk maken. Op deze website kan het aanvraagformulier worden gedownload. De aanvraag, inclusief de vereiste bijlagen, dienen schriftelijk in enkelvoud te worden ingediend (RUD Zeeland, postbus 35, 4530 AA Terneuzen). Wie een vergunning aanvraagt, is verplicht gebruik te maken van het formulier.

De vereiste bijlagen zijn onder meer:

  • een tekening met kadastrale aanduiding, waarop het te ontgronden terrein is aangegeven;

  • een uittreksel uit de kadastrale legger van elk perceel, waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • een topografische kaart, schaal 1:25.000, waarop het te ontgronden terrein is aangegeven;

  • een situatietekening met dwarsprofielen.

De wettelijke termijn waarbinnen een vergunning moet zijn verleend, is uiterlijk zes maanden.

 

Procedure

Alleen als het aanvraagformulier compleet is ingevuld en de bijlagen correct zijn bijgevoegd, wordt de aanvraag in behandeling genomen. Voor het in behandeling nemen van de aanvraag moet de aanvrager € 1.250,- leges betalen.

Voordat de ontwerpvergunning kan worden gemaakt, wordt advies gevraagd aan de diverse instanties zoals de betreffende gemeente en het waterschap Scheldestromen.

Zodra de ontwerpvergunning – in jargon ‘ontwerpbeschikking’ - gereed is, wordt deze zes weken ter inzage gelegd bij de gemeente waarin de ontgronding staat te gebeuren. De aanvrager en andere belanghebbenden krijgen hiervan bericht. Verder wordt de terinzagelegging gepubliceerd onder de rubriek abdijnieuws in de huis-aan-huisbladen. Tijdens die zes weken kunnen zienswijzen tegen de ontwerpvergunning worden ingediend. De zienswijzen kunnen zowel mondeling als schriftelijk worden geuit.

Bij de beslissing op de aanvraag neemt RUD Zeeland de zienswijzen mee in de afweging.

De definitieve vergunning die daarna ontstaat, wordt zes weken ter inzage gelegd. Ook deze worden  medegedeeld in de huis-aan-huis-bladen.

In de termijn van zes weken kunnen belanghebbenden beroep tegen de vergunning aantekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in Den Haag. Als geen beroep wordt ingesteld, treedt de vergunning na afloop van de beroepstermijn van zes weken in werking.

Wanneer ingestelde beroepen worden verworpen, dan heeft de vergunning vanaf het moment van de uitspraak rechtskracht.

Als beroepschriften worden gehonoreerd, dan kan de uitspraak leiden tot aanpassing van de vergunning. Ook kan het zijn dat de hele procedure opnieuw moet worden doorlopen.

Een derde mogelijkheid is dat de indieners van beroep tegelijkertijd schorsing van de vergunning vragen aan de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak. Van de vergunning kan dan pas gebruik worden gemaakt als het verzoek tot schorsing is verworpen. Als het verzoek wordt toegewezen is het al dan niet kunnen beginnen met de ontgronding afhankelijk van de beslissing op het beroep. De uitspraak van de Afdeling bestuursrecht kan er ook toe leiden dat er helemaal geen vergunning komt.

 

Grote haast

Al met al zal duidelijk zijn dat tussen aanvraag en verlening van de vergunning nogal wat tijd zit. Tijd die niet altijd in voldoende mate voorhanden is.

Bij de vaststelling van de Ontgrondingenwet werd dit al voorzien, want in die wet wordt de aanvrager van de vergunning in de gelegenheid gesteld machtiging te vragen om met de ontgronding te beginnen voordat de vergunning onherroepelijk is. De machtiging wordt alleen verleend bij een aantoonbare spoedeisendheid. Op het aanvraagformulier kan het verzoek nader worden toegelicht.

Op een verzoek om machtiging wordt in de praktijk gelijktijdig met de beslissing over de vergunning beslist; ook voor het in behandeling nemen van het verzoek om machtiging dient door aanvrager € 1.750,- leges te worden betaald. Wanneer een machtiging wordt verleend, wordt daaraan de voorwaarde verbonden dat de houder van de machtiging als waarborg voor het nakomen van de daaruit voortvloeiende verplichtingen, ten behoeve van provincie Zeeland een waarborgsom moet storten of een bankgarantie moet stellen. De hoogte van de waarborg is vooral afhankelijk van de omvang van de uit te voeren ontgronding en wordt opgeheven op het moment dat de vergunning onherroepelijk is geworden.

Zodra de machtiging is verleend, hoeft niet te worden gewacht op de beroepstermijn van zes weken. Wel moet de aanvrager rekening houden met de mogelijkheid dat derden een verzoek tot schorsing indienen. Als dat het geval is en de schorsing wordt toegewezen, dan zit er niets anders op dan geduld te betrachten. In dat geval moet namelijk de beslissing op het beroep afgewacht worden.

De waarborg wordt opgeheven op het moment dat de vergunning onherroepelijk is geworden.

 

Controle

Toezichthouders van RUD Zeeland controleren of de aanvrager zich houdt aan de voorschriften die aan de ontgrondingenvergunning zijn verbonden.

Bij hun inspectierondes kan ook aan het licht komen dat iemand zonder vergunning aan de slag is gegaan. Van overtredingen van vergunningvoorschriften of het ontgronden zonder vergunning waar  die wel nodig is, wordt handhavend opgetreden.

 

Formulier

Formulier aanvraag verlening ontgrondingsvergunning

 

Aanvraagformulier insturen

Het formulier "aanvraag verlening ontgrondingsvergunning" kunt u inclusief bijlagen (in enkelvoud) ondertekend en ingescand e-mailen of per post sturen naar:

RUD Zeeland
Postbus 35
4530 AA Terneuzen